Artikel 2.5.15 Betreden van plantsoenen e.d.16

1 Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te bevinden in of op een bij de gemeente in

onderhoud zijnd(e) park, wandelplaats, plantsoen, groenstrook of andere groenvoorziening buiten de daarin

gelegen wegen, paden, verhardingen, grasvelden of grasstroken.

2 Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te bevinden op een bij de gemeente in onderhoud

zijnd(e) grasveld of grasstrook dan wel op een daartoe in aanleg zijnd terrein, indien door borden is aangegeven

dat dit wordt hersteld of pas is ingezaaid.

3 Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden op een bij de gemeente in onderhoud zijnd(e) grasveld of

grasstrook een tent, scherm of kampeerartikel te plaatsen of te hebben.

4 Het is aan een persoon die schoenen met noppen draagt verboden op een grasveld of grasstrook, gelegen in een

bij de gemeente in onderhoud zijnd(e) park, wandelplaats, plantsoen, groenstrook of andere groenvoorziening, te

voetballen, te hockeyen of een andere veldsport te beoefenen.

5 De in het derde lid en in het vierde lid gestelde verboden zijn niet van toepassing indien de daar omschreven

handelingen geschieden op plaatsen waar dit blijkens van gemeentewege geplaatste borden uitdrukkelijk is

toegestaan.

Artikel 2.5.16 Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie 

honden aan de lijn

                                                                            (KLIK OP HONDEN AAN DE LIJN)

1 Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of lopen:

a binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond is aangelijnd;

b binnen de bebouwde kom op de weg in een van de door Burgemeester en Wethouders daartoe

aangewezen gebieden;

c op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak,

speelweide of trapveld of op een andere door Burgemeester en Wethouders aangewezen plaats;

d in een bij de gemeente in onderhoud zijnde vijver of andere waterpartij;

e op de weg zonder dat die hond is voorzien van een halsband die, of een door middel van tatoeage

aangebracht identificatiekenmerk dat de eigenaar of houder van die hond duidelijk doet kennen.

2 Het in het eerste lid, onder a, gestelde verbod geldt niet in gebieden die door Burgemeester en Wethouders zijn

aangewezen als uitlaatgebieden.

3 Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet voor:

a een in een aangewezen gebied wonende eigenaar of houder van een hond;

b een persoon die op grond van een lichamelijke handicap wordt begeleid door een blindengeleidehond of

door een hond die bij hem is geplaatst door de Stichting Sociale Honden voor Gehandicapten Nederland.

Artikel 2.5.17 Verontreiniging door honden

1 De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:

a op een gedeelte van de weg dat is bestemd of mede is bestemd voor het verkeer van voetgangers;

b op plaatsen als bedoeld in artikel 2.5.16, lid 1, onder c;

c op een weg of een gedeelte van een weg gelegen binnen de bebouwde kom van het dorp Glanerbrug.

2 De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar

of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden opgeruimd.

3 Het bepaalde in het eerste lid, onder a en c, geldt niet in gebieden die krachtens artikel 2.5.16, lid 2, door

Burgemeester en Wethouders zijn aangewezen als uitlaatgebieden.

Artikel 2.5.18 Gevaarlijke honden

1 Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg

of op het terrein van een ander:

a anders dan kort aangelijnd, nadat Burgemeester en Wethouders de eigenaar of de houder schriftelijk

hebben meegedeeld dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een aanlijngebod in verband met het

gedrag van die hond noodzakelijk vinden;

b anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, nadat Burgemeester en Wethouders de

eigenaar of de houder schriftelijk hebben meegedeeld dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een

aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vinden.

2 In het eerste lid wordt verstaan onder:

A Muilkorf:

een muilkorf als bedoeld in artikel 1 onder d van de Regeling agressieve dieren;

B Kort aanlijnen:

17

aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,5

meter.

3 Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing voor zover de Regeling agressieve dieren van

toepassing is.

Artikel 2.5.18a Gevaarlijk ras of type hond

1 Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg

of op het terrein van een ander, anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, indien de hond behoort

tot een door Burgemeester en Wethouders als gevaarlijk aangemerkt ras of type hond of door kruising daarmee

verkregen verwanten.

2 In afwijking van artikel 2.5.16, aanhef en onder e, geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond

moet zijn voorzien van een optisch leesbaar, niet verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of in de buikwand,

aangebracht door of namens de Stichting Registratie Gezelschapsdieren Nederland.

3 Burgemeester en Wethouders zijn niet bevoegd rassen of typen hond aan te wijzen, waarvoor reeds in de

Regeling agressieve dieren maatregelen zijn genomen.

Artikel 2.5.19 Opjagen e.d. van dieren

Het is verboden op of aan de weg een dier nodeloos op te jagen, een dier tegen een ander dier op te hitsen of toe te

laten dat een onder zijn hoede staand dier een ander dier opjaagt.

Artikel 2.5.20 Vissen in gemeentelijke vijvers e.d.

1 Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden te vissen in een bij de gemeente in onderhoud zijnde

vijver of andere dergelijke waterpartij.

2 Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien het vissen geschiedt op plaatsen waar dit

blijkens van gemeentewege geplaatste borden uitdrukkelijk is toegestaan.

Artikel 2.5.21 Hinderlijke, schadelijke of gevaarlijke dieren houden

1 Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd het gehele grondgebied van de gemeente, een of meer gedeelten

van de gemeente of een of meer bepaalde plaatsen aan te wijzen waar het verboden is een of meer daarbij

aangeduide dieren:

a aanwezig te hebben, dan wel

b aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels, dan wel

c aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven.

2 Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en de regels als bedoeld in het eerste lid, onder b, mogen uitsluitend

zijn gebaseerd op het voorkomen of opheffen van hinder, overlast, schade aan de openbare gezondheid, gevaar

voor mens of dier of gevaar voor verstoring van de openbare orde.

3 Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij

aangeduide dieren aanwezig te hebben dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door

Burgemeester en Wethouders gestelde regels dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door hen is

aangegeven.

4 Burgemeester en Wethouders kunnen de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens

het eerste lid aangewezen plaats, ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

5 Indien het aanwezig hebben van een of meer dieren gebeurt in strijd met het bepaalde krachtens het eerste lid,

kunnen Burgemeester en Wethouders degene die het dier of de dieren aanwezig heeft aanschrijven tot het treffen

van maatregelen ter voorkoming of opheffing van hinder, overlast, schade aan de openbare gezondheid, gevaar

voor mens of dier of verstoring van de openbare orde.

6 Het bepaalde in dit artikel geldt niet:

a voor het in de gemeente optreden van een circus waarvoor de Burgemeester overeenkomstig artikel

2.3.2 vergunning heeft verleend;

b voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is.